Ondernemings- en Insolventierecht

Kwijtschelden van verpande vorderingen: het verschil tussen schuldeiser en pandhouder

Begin deze maand heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een geschil tussen ING Bank en de curator van een failliete vastgoedvennootschap. Deze uitspraak kan van belang zijn voor financiers en ondernemingen die gefinancierd worden.

Achtergrond en casus
Wanneer banken en andere kredietinstellingen financiering verstrekken aan ondernemingen, verlangen zij vaak dat de onderneming waar zij financiering aan verstrekken zekerheden verstrekt voor het geval de onderneming de financiering niet meer terug kan betalen. Deze zekerheid kan onder andere bestaan uit het vestigen van een pandrecht op vorderingen die de onderneming heeft op derden, waaronder haar debiteuren.

Zo ook in het geval waarover de Hoge Raad deze maand uitspraak deed. ING had financiering verstrekt aan een vastgoedvennootschap, en in het kader van die financiering heeft de vastgoedvennootschap ten gunste van ING een stil pandrecht verstrekt op de (huur)vorderingen die de vastgoedvennootschap had op huurders. In de algemene voorwaarden die van toepassing zijn verklaard op de financieringsovereenkomst tussen ING en de vastgoedvennootschap stond dat ING bevoegd was om voor rekening van de vastgoedvennootschap “regelingen te treffen, dadingen aan te gaan en andere rechtshandelingen te verrichten”.

Toen de vastgoedvennootschap haar financiële verplichtingen tegenover ING in 2015 niet meer nakwam, heeft ING het stille pandrecht ‘openbaar gemaakt’. Daardoor werd ING bevoegd om de verpande debiteurenvorderingen te innen. Daaronder ook de (huur)vorderingen op huurder Emtes Uitzendbureau.

In 2017 en 2018 weigerde Emtes Uitzendbureau een bedrag van afgerond € 28.000,- aan huur te betalen aan ING. Dit in verband met gebreken aan het van de vastgoedvennootschap gehuurde bedrijfspand. In de tussentijd, in maart 2018, is de vastgoedvennootschap failliet verklaard.

Enkele maanden na de faillietverklaring van de vastgoedvennootschap heeft ING een schikking getroffen met Emtes Uitzendbureau, waarin de huurvordering werd verminderd. De curator van de vastgoedvennootschap werd daarbij niet betrokken. De curator meende dat ING als pandhouder niet bevoegd was om een dergelijke schikking te treffen en stapte naar de rechter.

Juridische beoordeling
In de zaak kwamen twee (samenhangende) vragen aan de orde:

  1. Mag een pandhouder een schikking treffen over een verpande vordering?
  2. Kan tussen een financier (pandhouder) en een gefinancierde onderneming (pandgever) contractueel en met goederenrechtelijke werking worden afgesproken dat de pandhouder bevoegd is om met de debiteur van een verpande vordering een schikking te treffen over de verpande vordering?

De Hoge Raad heeft het eerdere oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigd. Het gerechtshof had het volgende geoordeeld:

  1. Een pandhouder die ‘inningsbevoegd’ is, mag slechts nakoming eisen en betalingen in ontvangst nemen. Uit het wettelijke systeem volgt dat andere bevoegdheden van een schuldeiser, zoals het treffen van een schikking, het verlenen van kwijtschelding of het treffen van een afbetalingsregeling, bij de pandgever blijven.
  2. De contractuele afspraak tussen ING en de vastgoedvennootschap (vastgelegd in de algemene voorwaarden van ING) kan geen goederenrechtelijke werking hebben. Daarmee zou namelijk buiten de wet om een nieuw type goederenrechtelijk recht worden gecreëerd, en dat is in strijd met het gesloten systeem van het goederenrecht.
  3. ING heeft onrechtmatig gehandeld richting de curator van de vastgoedvennootschap, en moest daarom een schadevergoeding betalen aan de curator.  

Belang voor de praktijk
In het arrest heeft de Hoge Raad nog eens verduidelijkt dat zekerheidsdocumentatie van banken, hoe uitgebreid die ook wordt geformuleerd, geen goederenrechtelijke bevoegdheid kan verschaffen aan de pandhouder om schikkingen te treffen met debiteuren van verpande vorderingen. Voor het treffen van een schikking met een debiteur van een verpande vordering zal de pandhouder dus altijd medewerking moeten krijgen van de pandgever (buiten faillissement) of van de curator van de failliete pandgever.

Auteur

  • Voor meer informatie of vragen over het bovenstaande kunt u contact opnemen met mr. Jelmer Feenstra.

Dit artikel delen: