Bestuursrecht

Wet versterking regie volkshuisvesting: snellere procedures en hoger griffierecht bij woningbouw

Dit artikel is het tweede deel van een tweeluik over de Wet versterking regie volkshuisvesting (hierna: Wvrv). In het eerste deel schreven wij over de vergunningvrije mantelzorgwoning en de nieuwe vergunningvrije familiewoning. In dit artikel staan wij stil bij twee andere instrumenten waarmee de wetgever juridische procedures bij woningbouwprojecten wil verkorten: de procesrechtelijke versnellingen in de Omgevingswet en de verhoging van het griffierecht.

Inleiding
Nederland kampt met een aanzienlijk woningtekort. De Wvrv, die op 1 juli 2026 gefaseerd in werking is getreden, probeert dit tekort langs verschillende wegen aan te pakken. Eén van die wegen is het verkorten van bestuursrechtelijke procedures, zodat sneller duidelijkheid ontstaat en woningbouwprojecten eerder van de grond kunnen komen. Een andere maatregel is het fors verhogen van het griffierecht bij beroepen over woningbouwbesluiten, met als achterliggend doel de drempel voor kansloze procedures te verhogen.

Voor welke procedures en projecten gelden de maatregelen?
De procesrechtelijke versnellingen gelden opvallend breed: de meeste maatregelen zijn van toepassing op woningbouwprojecten van ten minste één woning. Dit geldt zowel voor omgevingsplanprocedures als voor omgevingsvergunningprocedures, maar met nuanceverschillen per maatregel.

Voor omgevingsvergunningen zien de versnellingen op twee specifieke activiteitencategorieën: de bouwactiviteit (de technisch-bouwkundige toets op grond van art. 5.1 Omgevingswet) en de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit (de planologische toets). Andere activiteiten – zoals een milieubelastende activiteit of een wateractiviteit – vallen buiten het toepassingsbereik. Het verbod voor gemeenten om beroep in te stellen tegen woningbouwbesluiten van een andere gemeente (art. 16.83b Omgevingswet) heeft het breedste bereik: dat ziet óók op besluiten tot vaststelling of wijziging van een omgevingsplan.

De vier procesrechtelijke versnellingen
De Wvrv introduceert in de Omgevingswet vier afzonderlijke versnellingen.

Versoepeld rechtstreeks beroep (art. 16.83a Omgevingswet)
Onder het bestaande systeem van art. 7:1a Awb moet een verzoek om rechtstreeks beroep in het bezwaarschrift zelf worden opgenomen. Voor bezwaren tegen beslissingen op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwacitiviteit ten behoeve van woningbouwprojecten van ten minste één woning geldt sinds 1 juli 2026 een versoepeling: het schriftelijke verzoek aan het bestuursorgaan hoeft niet langer in het bezwaarschrift te zijn opgenomen en kan ook later worden gedaan. Dit verlaagt de formele drempel voor het overslaan van de bezwaarfase, maar de vraag is hoe groot het praktische effect zal zijn, gezien het beperkte gebruik van rechtstreeks beroep onder het huidige art. 7:1a Awb.

Geen beroepsrecht gemeente tegen andere gemeente (art. 16.83b Omgevingswet)
Gemeenten en hun bestuursorganen kunnen in afwijking van art. 8:1 Awb geen beroep meer instellen tegen woningbouwbesluiten van andere gemeenten – zowel omgevingsplanwijzigingen als omgevingsvergunningen. Deze maatregel richt zich op situaties waarin buurgemeenten procedures vertragen door bezwaar te maken tegen elkaars woningbouwplannen.

Beroep in één instantie (art. 16.87a Omgevingswet – via amvb)
Voor projecten van zwaarwegend maatschappelijk belang kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat beroep rechtstreeks en uitsluitend openstaat bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), zonder tussenstap bij de rechtbank. Woningbouwprojecten van ten minste één woning zijn in het ontwerp-Omgevingsbesluit aangewezen als zodanige categorie. Bij beroep in één instantie moeten alle beroepsgronden binnen de beroepstermijn worden ingediend – pro forma beroepen zijn niet meer mogelijk – en gelden kortere uitspraaktermijnen.

Verkorte uitspraak ABRvS (art. 16.87b Omgevingswet)
In hoger beroep over omgevingsvergunningen voor woningbouwprojecten kan de ABRvS zich bij de motivering beperken tot de vaststelling dat een beroepsgrond niet tot vernietiging kan leiden, zonder uitgebreide inhoudelijke onderbouwing. Deze bepaling is al in werking en geldt voor omgevingsvergunningen voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit.

Vanuit rechtsvormend perspectief roept deze verkorte motivering wel vragen op. Juist in omgevingsrechtelijke woningbouwzaken spelen vaak nieuwe of complexe rechtsvragen, terwijl artikel 16.87b ertoe kan leiden dat een aanzienlijk deel van die hoger-beroepzaken alleen met een verkorte constatering wordt afgedaan. Daarmee verschuift de rechtsontwikkeling naar een beperkter aantal, door de Afdeling geselecteerde uitspraken waarin wel uitvoerig wordt gemotiveerd. Of die concentratie van rechtsvorming voldoende is om de voorspelbaarheid en kenbaarheid van het omgevingsrecht op peil te houden, zal in de komende jaren kritisch moeten worden gevolgd.

Het griffierecht: oud versus nieuw
Naast de procesrechtelijke versnellingen verhoogt de Wvrv het griffierecht bij beroepen over woningbouwbesluiten via een toevoeging aan art. 8:41 lid 2 Awb (amendement-Meulenkamp, Kamerstukken II 2024/25, 36512, nr. 96).

Onder het oude systeem bedroeg het griffierecht bij beroep in eerste aanleg: €200 voor natuurlijke personen (overige besluiten) en €397 voor rechtspersonen en andere niet-natuurlijke personen.

Onder het nieuwe systeem gelden voor beroepen over woningbouwbesluiten de volgende verhoogde tarieven:

  • Natuurlijke personen: €500
  • Niet-natuurlijke personen (rechtspersonen, stichtingen, verenigingen): €1.000

Het verhoogde griffierecht is van toepassing op beroepen tegen:

  • een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit, of een bouwactiviteit als bedoeld in art. 5.1 Omgevingswet;
  • een projectbesluit of besluit ter uitvoering daarvan als bedoeld in art. 5.44 Omgevingswet;
  • een besluit tot vaststelling of wijziging van een omgevingsplan als bedoeld in art. 2.4 Omgevingswet.

Inwerkingtreding: wat geldt al en wat nog niet?
De Wvrv is gefaseerd in werking getreden per 1 juli 2026. De procesrechtelijke versnellingen – waaronder het versoepeld rechtstreeks beroep (art. 16.83a Ow), de uitsluiting van beroep voor gemeenten (art. 16.83b Ow) en de verkorte uitspraak van de ABRvS (art. 16.87b Ow) – zijn al op 1 juli 2026 in werking getreden. Het verhoogde griffierecht is eveneens per 1 juli 2026 van kracht.

De beroep-in-één-instantie-regeling (art. 16.87a Ow) vereist nog een nadere aanwijzing bij amvb; pas nadat het ontwerp-Omgevingsbesluit op dit punt in werking treedt, geldt deze versnelling ook daadwerkelijk voor woningbouwprojecten. Het is belangrijk te benadrukken dat de procesrechtelijke versnellingen niet terugwerken: art. 16.83b Ow is bijvoorbeeld niet van toepassing op beroepen die zijn ingesteld tegen een besluit dat al vóór de inwerkingtreding van de wet is bekendgemaakt.

Auteur

  • Douwe op de Hoek

    Voor meer informatie of vragen over het bovenstaande kunt u contact opnemen met mr. Douwe op de Hoek.

Dit artikel delen: