De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) heeft in de uitspraak van 27 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4128) bevestigd dat het enkele bestaan van een (ver)huurrelatie geen zakelijk samenwerkingsverband oplevert in de zin van artikel 3 lid 4 onder c van de Wet Bibob.
Casus
In deze procedure ging het om de weigering van een exploitatievergunning voor een seksinrichting. De weigering (door de burgemeester van de gemeente Leeuwarden) was gebaseerd op artikel 3 lid 1, aanhef en onder a en b van de Wet Bibob.
Uit twee adviezen van het Landelijk Bureau Bibob zou namelijk volgen dat de aanvrager in relatie zou staan, een zogeheten zakelijk samenwerkingsverband, tot een derde en diens concern, en die derde strafbare feiten heeft gepleegd. Naar het oordeel van de burgemeester bestond daarom het ernstige gevaar dat de vergunning is/zal worden gebruikt om – kort gezegd – uit strafbare feiten verkregen voordelen te benutten, dan wel om strafbare feiten mee te plegen.
Voor de Burgemeester was daarbij onder meer van belang dat de aanvrager en de derde met elkaar een huurovereenkomst waren aangegaan met betrekking tot het pand waarin de seksinrichting geëxploiteerd zou gaan worden (en waarin de derde voorheen een seksinrichting had geëxploiteerd). Ook was voor de burgemeester van belang dat de aanvrager de handelsnaam van de seksinrichting van de derde had overgenomen.
De Afdeling was het niet met de Burgemeester eens. Volgens de Afdeling is het enkele bestaan van een (ver)huurrelatie onvoldoende voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband. Het overnemen van een handelsnaam rechtvaardigt evenmin dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband.
Juridisch kader
De Wet Bibob maakt het voor bestuursorganen mogelijk een vergunningsaanvraag te weigeren dan wel een bestaande vergunning in te trekken wanneer het aannemelijk is dat de vergunning is/zal worden gebruikt om – kort gezegd – uit strafbare feiten verkregen voordelen te benutten, dan wel om strafbare feiten mee te plegen. Het gaat dan niet alleen om handelen van de vergunningaanvrager/vergunninghouder. Ook strafbare feiten gepleegd door een derde kunnen aan de vergunninghouder/vergunningaanvrager worden toegerekend, onder meer wanneer deze met de derde een zakelijk samenwerkingsverband heeft. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband een zakelijke relatie moet bestaan tussen de vergunninghouder/vergunningaanvrager en de derde die is gericht op samenwerking en een zeker duurzaam karakter heeft.
Gevolgen en betekenis
De uitspraak van de Afdeling staat niet op zichzelf. In lijn met eerdere jurisprudentie oordeelde de Afdeling in de uitspraak van 22 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:214) dat de enkele (ver)huurrelatie onvoldoende was voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband. In aanvulling daarop overwoog de Afdeling dat het overnemen van inventaris evenmin het oordeel rechtvaardigt dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband. Op deze uitspraak is, naar ons oordeel overigens ten onrechte, de nodige kritiek geleverd.
Kennelijk heeft de Afdeling in deze kritiek aanleiding gezien in de uitspraak van 27 augustus 2025 de inhoud van de uitspraak van 22 januari 2025 expliciet te herhalen. Daaraan heeft de Afdeling nu de overname van handelsnamen toegevoegd. Uit beide uitspraken, in samenhang bezien, volgt dat de overname van handelsnamen, al dan niet in combinatie met een (ver)huurrelatie en het overnemen van inventaris, onvoldoende is om een zakelijk samenwerkingsverband aan te nemen.
Voor de praktijk betekent dit dat het enkele bestaan van een huurovereenkomst of het overnemen van handelsnamen niet over de boeg van het zakelijk samenwerkingsverband kan leiden tot het weigeren of intrekken van een vergunning.






