In een recente uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de gemeente Amstelveen niet wegens strijd met het bestemmingsplan handhavend mocht optreden tegen een personal trainingstudio/sportschool. Klik hier om naar de uitspraak te gaan.
Wat speelde er?
Bij de gemeente was een handhavingsverzoek binnengekomen tegen de sportschool vanwege gestelde geluidsoverlast. De gemeente meende dat de sportschool niet in overeenstemming was met de in het bestemmingsplan opgenomen bestemming ‘dienstverlening’ en legde een last onder dwangsom op om het gebruik van de sportschool te staken. Volgens de Rechtbank Amsterdam was deze sanctie toegestaan.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak dacht hier echter anders over. Deze overwoog ten eerste dat de sportschool is gevestigd op een perceel waar o.a. dienstverlening is toegestaan. In het bestemmingsplan was het begrip dienstverlening gedefinieerd als ‘het bedrijfsmatig verlenen van diensten zoals kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio’s, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en wordt geholpen; evenwel met uitzondering van garagebedrijven en seksinrichtingen.’
De gemeente was van mening dat de sportschool geen dienstverlening was, omdat de sportschool geen balie had en dat klanten mogelijk ook zonder contact met een van de medewerkers gebruik konden maken van de sportvoorzieningen. Ook werd aangevoerd dat sportvoorzieningen alleen waren toegestaan binnen de bestemming Sport-sporthal. Dit betoog vond geen weerklank bij de voorzieningenrechter, die oordeelde:
“6. [verzoeker] voert in hoger beroep onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan, omdat het gebruik van het pand als sportschool/personal trainingsstudio volgens hem wel valt onder het begrip “dienstverlening”.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat het gebruik van het pand als sportschool/personal trainingsstudio in strijd is met de op het perceel rustende bestemming “Gemengd-3”. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van strijd met die bestemming is doorslaggevend of het gebruik valt onder dienstverlening als genoemd in artikel 9.1, onder d, van de planregels.
Het begrip dienstverlening is gedefinieerd in artikel 1.38 van de planregels als het bedrijfsmatig verlenen van diensten zoals kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio’s, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en wordt geholpen; evenwel met uitzondering van garagebedrijven en seksinrichtingen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat onvoldoende vast dat het gebruik van het pand als sportschool/personal trainingsstudio daar niet onder kan worden begrepen. Dat in het geval van het gebruik van het pand ten behoeve van de sportschool/personal trainingsstudio geen sprake zou zijn van het rechtstreeks te woord staan en helpen van het publiek is vooralsnog onvoldoende gebleken. Dat er klanten zijn die mogelijk zonder contact met een van de medewerkers gebruik maken van de sportvoorzieningen is onvoldoende voor die conclusie. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet in geschil is dat er, naast zelfstandig sporten, ook groepslessen en personal training worden aangeboden. Voor zover de rechtbank van belang heeft geacht dat er een afzonderlijke bestemming in het bestemmingsplan is opgenomen voor een multifunctioneel sportcentrum, te weten de bestemming “Sport-sporthal”, heeft [verzoeker] er verder terecht op gewezen dat de bestemming “Maatschappelijk” ook sportvoorzieningen omvat en sportvoorzieningen dus niet exclusief bestemd zijn op de bestemming “Sport-sporthal”. Anders dan de rechtbank heeft overwogen is de afwezigheid van een balie verder niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of het om dienstverlening gaat, gelet op de woorden “al dan niet via een balie” in de definitiebepaling. Ook de omstandigheid dat [verzoeker] eerder omgevingsvergunningen heeft aangevraagd voor het afwijken van het bestemmingsplan zijn, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet relevant voor het antwoord op de vraag of strijd met bestemmingsplan bestaat.”
Ook de door de voorzieningenrechter gemaakte belangenafweging viel in het voordeel van de sportschoolhouder uit:
De belangen van [verzoeker] bij het treffen van een voorlopige voorziening liggen in het mislopen van de inkomsten van zijn sportschool/personal trainingsstudio die volgens hem zijn enige inkomsten zijn. Tegenover de zwaarwegende belangen van [verzoeker] om niet aan de last te hoeven voldoen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist, staan de belangen van het college en omwonenden, onder wie [partij C], om het gebruik als sportgelegenheid tot een eind te laten komen. Bij dat laatste is van belang dat onduidelijk is of het gebruik van het pand door [verzoeker] de oorzaak is van de overlast die omwonenden ervaren. Er is, mede gelet hierop, niet gebleken dat aan de zijde van het college of [partij C] of andere omwonenden sprake is van zo dringende belangen dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding een voorlopige voorziening te treffen […].
Achteraf gezien had de gemeente Amstelveen er wellicht verstandig aan gedaan om bij de vaststelling van het bestemmingsplan het gebruik als sportschool ter plaatse expliciet uit te sluiten. Door dit niet te doen, was er nu geen sprake van een overtreding.
Voor wie is de uitspraak van belang?
Behalve voor de betrokken partijen zelf, kan de uitspraak ook van belang zijn voor andere sportscholen c.q. sportvoorzieningen in Nederland die zijn gelegen op percelen met de bestemming dienstverlening. De in het betreffende bestemmingsplan van de gemeente Amstelveen opgenomen omschrijving van dienstverlening wordt namelijk ook in veel andere gemeenten gebruikt. Zolang dergelijke sportvoorzieningen in het bestemmingsplan niet uitdrukkelijk worden uitgesloten van deze bestemming, lijken zij in dat geval op grond van bovengenoemde uitspraak te zijn toegestaan.
Daarnaast is de uitspraak ook in een breder verband relevant voor eigenaren of gebruikers van percelen die worden geconfronteerd met bestuurlijke handhaving wegens strijd met het bestemmingsplan. In een dergelijk geval valt aan te bevelen om goed aan de hand van de omschrijving van de bestemming en de omschrijving van de binnen die bestemming toegelaten functies (bijvoorbeeld: wonen, bedrijven, dienstverlening) te controleren of werkelijk sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan. Daarbij is het ook raadzaam om de omschrijving van andere bestemmingen te bestuderen. Soms kan uit de plansystematiek namelijk blijken hoe een bepaalde bepaling moet worden gelezen. In de uitspraak over de Amstelveense sportschool had laatstgenoemde er terecht op gewezen dat een andere bestemming (“Maatschappelijk”) ook sportvoorzieningen toestond en sportvoorzieningen dus niet exclusief bestemd waren op de bestemming “Sport-sporthal”.
Hoewel de uitspraak van de voorzieningenrechter niet bindend is in de bodemzaak, is de kans naar onze inschatting aanzienlijk dat de uitspraak in stand zal blijven.






