Op 22 maart 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘Afdeling’) een uitspraak gedaan waarin de vraag centraal stond of vakbond FNV als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een bestuurlijke boete die is opgelegd aan een transportonderneming. Gebleken is namelijk dat de regels die vrachtwagenchauffeurs moeten beschermen (zoals die over rusttijden), niet altijd worden nageleefd. Als de FNV inderdaad belanghebbende is, kan het rechtsmiddelen instellen in dit soort procedures en daarmee opkomen voor de belangen van haar leden (in dit geval de vrachtwagenchauffeurs).
Wanneer is sprake van belanghebbendheid?
Een (rechts-)persoon kan als belanghebbende worden aangemerkt in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wanneer deze een voldoende objectief bepaalbaar, persoonlijk, eigen, rechtstreeks en actueel belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het besluit (de ‘OPERA-criteria’). Voor rechtspersonen geldt daarnaast dat zij als belanghebbende kunnen worden aangemerkt, wanneer zij blijkens hun statuten en feitelijke werkzaamheden bepaalde belangen behartigen (zo volgt uit het derde lid van dit artikel).
Belanghebbendheid derden bij boetebesluit?
In de Awb zijn geen bijzondere bepalingen opgenomen over de belanghebbendheid van derden bij boetebesluiten, waardoor de Afdeling ervan uitgaat dat het regime van artikel 1:2 van de Awb (waaronder de OPERA-criteria) zoals gewoonlijk geldt.
In de regel hebben derden geen rechtsreeks belang bij het al dan niet opleggen van een bestuurlijke boete. Bestuurlijke boetes (en andere bestraffende sancties) zijn er namelijk primair op gericht om leed toe te voegen, met andere woorden: de overtreder te ‘bestraffen’. Bij het toevoegen van leed zijn – naast het belang van de overtreder – geen andere belangen rechtstreeks betrokken.
De Afdeling volgt de A-G echter in zijn conclusie dat leedtoevoeging niet het enige gevolg is dat een bestraffende sanctie met zich mee kan brengen. Een bestuurlijke boete kan er voor zorgen dat een overtreding wordt beëindigd of niet wordt herhaald. Daarnaast kan het opleggen van een bestuurlijke boete onder omstandigheden feitelijke gevolgen voor derden met zich meebrengen, zoals bijvoorbeeld de beïnvloeding van concurrentiebelangen of de positie op de arbeidsmarkt. Of sprake is van belanghebbendheid zal verder van geval tot geval moeten worden beoordeeld, maar dit is dus zeker mogelijk.
In het geval van de FNV oordeelde de Afdeling dat sprake is van belanghebbendheid, omdat deze blijkens haar statuten en feitelijke werkzaamheden opkomt voor de belangen van vrachtwagenchauffeuffeurs die werkzaam zijn in Nederland. Omdat het opleggen van de boete het effect kan hebben dat de overtreding wordt beëindigd (en de transportorganisatie zich in het vervolg aan de rusttijden houdt), worden de belangen van de vrachtwagenchauffeurs in Nederland bovendien rechtstreeks geraakt
Deze uitspraak maakt het vooralsnog makkelijker voor vakbonden, belangenorganisaties en andere derden om mee te procederen in zaken die de belangen raken die zij behartigen. Wel heeft de Afdeling een uitdrukkelijke terugkoppeling aan de wetgever opgenomen, die inhoudt dat het uiteindelijk aan te wetgever is om te oordelen of zij de gevolgen die voortkomen uit toelating van derden bij procedures over boetebesluiten al dan niet onwenselijk vindt. Of de wetgever hieraan gevolg zal geven, moet worden afgewacht.






