Ondernemings- en InsolventierechtVastgoed / Huurrecht

Hotel Boutique – faillissementsaanvraag in tijden van corona: bepaald geen panacee!

Het echtpaar Liefhebber is er zoals bekend in geslaagd om nieuwe inkomsten te genereren door de fitnessapparaten uit de sportschool te verhuren en afhaal van driegangenmenu’s uit het restaurant mogelijk te maken. Met de nieuwe inkomsten wil Liefhebber een deel van vaste lasten voldoen.

De verhuurder heeft intussen echter niet stilgezeten. Het verlies van het kort geding zit hem dwars en hij zit er niet op te wachten nog maandenlang slechts een deel van de verschuldigde huur te ontvangen. Hij vraagt zijn advocaat om advies hoe hij snel uit deze situatie kan komen.

Gelet op die wens adviseert zijn advocaat een faillissementsaanvraag. Weliswaar zal het faillissement van Liefhebber B.V. waarschijnlijk niet leiden tot betaling van de huurachterstand – de afwikkeling van een faillissement leidt immers maar zelden tot betaling van een concurrente schuldeiser als Hotel Real Estate – maar dat faillissement biedt wel mogelijkheden om de huurovereenkomst op korte termijn te beëindigen. Op grond van artikel 39 Fw is de verhuurder namelijk bevoegd de huurovereenkomst met een failliete huurder op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van (doorgaans) drie maanden. Daarbij gelden de wettelijke huurbeschermingsbepalingen die normaliter van toepassing zijn op dit soort huurovereenkomsten, niet.

Voor de verhuurder is het faillissement van Liefhebber dan ook een snelle manier om van Liefhebber ‘af te komen’. In een markt waarin investeerders naarstig op zoek zijn naar hotelvastgoed, kan hij daar veel baat bij hebben. De verhuurder volgt het advies van zijn advocaat dan ook op – een faillissementsaanvraag wordt ingediend.

Als het echtpaar de oproeping voor de faillissementszitting van de rechtbank onder ogen krijgt, zinkt de moed hen in de schoenen. Nu dreigt alles waar zij al die jaren hard voor hebben gewerkt alsnog in rook op te gaan. Zij besluiten zich dan ook opnieuw tot hun advocaat te wenden voor juridisch advies.

De advocaat geeft aan dat hoewel de rechtbank bij de behandeling van het faillissementsverzoek rekening zal houden met de huidige coronacrisis en de daarmee samenhangende (economische) situatie[1], het risico van faillietverklaring daarmee niet is uitgesloten.

Hij wil dan ook graag de omzetcijfers van Liefhebber B.V. zien om te kijken of verweer tegen de faillissementsaanvraag mogelijk is. Hij constateert dat waar de cijfers er voor de uitbraak van het coronavirus rooskleurig uitzagen, dat na de uitbraak niet langer het geval is. Op basis van deze informatie stelt de advocaat voor om een beroep te doen de zogenoemde “Tijdelijke voorziening betalingsuitstel COVID-19” (hierna: Betalingsuitstelwet), die op 17 december 2020 met terugwerkende kracht vanaf 16 maart 2020 is ingevoerd.

De Betalingsuitstelwet maakt het mogelijk om de behandeling van een faillissementsverzoek voor maximaal 6 maanden aan te houden. Gedurende die periode verkrijgt de ondernemer (schuldenaar) ook betalingsuitstel jegens de aanvrager van het faillissement.

Het doel van deze regeling is om ondernemers te behoeden voor vermijdbare faillissementen of verhaalsacties van schuldeisers en de economische schade (van de ondernemer en de maatschappij) door het coronavirus zoveel mogelijk te beperken. De Betalingsuitstelwet is recentelijk verlengd tot 1 april 2021.

Er gelden drie criteria om met succes een beroep te kunnen doen op de Betalingsuitstelwet:

  1. Het is summierlijk aannemelijk dat de schuldenaar verkeert in de toestand waarin hij uitsluitend of hoofdzakelijk als gevolg van de uitbraak van het coronavirus zijn onderneming niet zoals gebruikelijk heeft kunnen voortzetten en daardoor tijdelijk niet in staat is om voort te gaan met het betalen van zijn schulden;
  2. Er bestaat een vooruitzicht dat de ondernemer na verloop van de termijn van de aanhouding zijn schuldeisers zal kunnen bevredigen; én
  3. De schuldeiser die het faillissement heeft aangevraagd wordt niet wezenlijk en onredelijk in zijn belangen geschaad.

De toestand als bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval vermoed aanwezig te zijn als de schuldenaar informatie over zijn financiële positie kan overleggen waaruit blijkt dat (a) hij vóór de uitbraak van het coronavirus of de beperkende maatregelen van half maart 2020, voldoende liquide middelen had om zijn opeisbare schulden te voldoen, en (b) hij sinds de uitbraak van het coronavirus of de afkondiging van die maatregelen sprake is geweest van een omzetverlies van ten minste 20% ten opzichte van de gemiddelde omzet in drie voorgaande maanden.

Er zijn vooralsnog zes uitspraken gewezen over de Betalingsuitstelwet, waarvan het aanhoudingsverzoek slechts eenmaal is toegewezen. Echter, in die gevallen werd het verzoek afgewezen omdat bijvoorbeeld onvoldoende inzicht in de financiële gegevens van de onderneming werd verschaft (criterium 1), er geen verband bestond tussen de schulden en het coronavirus (criterium 1) en/of het faillissement was aangevraagd door een werknemer die juist belang had bij het faillissement vanwege de loongarantieregeling (criterium 3).

Van dergelijke omstandigheden is volgens de advocaat van Liefhebber B.V. in dit geval geen sprake. Hij meent dan ook dat Liefhebber B.V. wél aan alle criteria voldoet. Uit de omzetcijfers blijkt immers dat het liquiditeitstekort veroorzaakt is door het coronavirus en dat de onderneming voor half maart 2020 nog financieel gezond was. Daarnaast is hij door de nieuwe inkomstenbronnen in staat haar schulden (gedeeltelijk) te voldoen en hebben geen andere crediteuren, voor wie het betalingsuitstel niet geldt, rechtsmaatregelen getroffen tegen Liefhebber B.V. Uit niets blijkt dan ook dat de verhuurder onredelijk in zijn belangen zou worden geschaad bij toewijzing van het verzoek.

De zitting verloopt succesvol voor Liefhebber B.V.; de rechter constateert dat aan de criteria is voldaan en de behandeling van het faillissement wordt met twee maanden aangehouden.

In het volgende deel gaat de advocaat van Liefhebber B.V. aan de slag met een voorstel voor een betalingsregeling en bekijkt hij de mogelijkheid van een herstructurering van de onderneming.

NB: Of u in aanmerking komt voor de Tijdelijke voorziening betalingsuitstel COVID-19 voldoet hangt af van uw specifieke situatie. Voor meer informatie of vragen kunt u contact opnemen met één van de advocaten van de sectie ondernemings- en insolventierecht van Labré .


[1] NB: Tijdelijke algemene regeling zaaksbehandeling Rechtspraak geldt tot 1 april 2021.

Voor meer informatie of vragen over het bovenstaande kunt u contact opnemen met mr. Sjef Bartels, mr. Carry Dullaart, mr. Mayk Koria, mr. Jordi de Pijper, mr. Jelmer Feenstra, mr. Jaap van der Steenhoven of mr. Laura Pordon van de sectie Ondernemingsrecht.Heeft u vragen over bovenstaand artikel, neem dan contact op met mr. Tim Boer, mr. Stephan Kloosterman, mr. Stefan Pentinga, of mr. Tim Sanders van de sectie Vastgoed.

Labré advocaten stelt haar nieuwsberichten zorgvuldig samen op basis van de op dat moment geldende regelgeving. Onze nieuwsberichten kunnen door de actualiteit worden achterhaald en hebben een algemeen karakter waardoor zij niet als juridisch advies kunnen worden beschouwd.

Dit artikel delen:

Menu